De vennootschapsbelasting is de winstbelasting die wordt geheven van voornamelijk bv's en nv's. Voor de berekening van deze winst moet worden gekeken naar de regels die zijn opgenomen in de inkomstenbelasting. Dat neemt niet weg dat er in de vennootschapsbelasting op een groot aantal punten van wordt afgeweken. Een bekend voorbeeld is de zogenoemde 'deelnemingsvrijstelling'.
De heffing van vennootschapsbelasting is geregeld in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969a (hierna ook: Wet Vpb). Vennootschapsbelasting is – zo blijkt uit artikel 1 Wet Vpb – een directe belasting, die wordt geheven van lichamen die in artikel 2 en artikel 3 Wet Vpb zijn opgesomd. De bekendste lichamen die we in deze wetsbepalingen terugvinden, zijn de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (bv's) en de naamloze vennootschappen (nv's). Maar daarnaast kunnen ook stichtingen en verenigingen belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Niet vennootschapsbelastingplichtig zijn de eenmanszaak en de zogenoemde personenvennootschappen: de maatschap en de vennootschap onder firma (VOF). Ook de (besloten) commanditaire vennootschap (cv) is niet vennootschapsbelastingplichtig.
In de structuur van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de belangrijke onderwerpen groepsgewijs behandeld:
subjectieve belastingplicht (artikelen 2 tot en met 6 Wet Vpb); objectieve belastingplicht (artikelen 7 tot en met 16 Wet Vpb); buitenlandse belastingplicht (artikelen 17 tot en met 19 Wet Vpb); verliesverrekening (artikelen 20 tot en met 21a Wet Vpb); tarief (artikelen 22 tot en met 23b Wet Vpb); wijze van heffing (artikele ...Bent u niet geregistreerd?
Registreer nu voor de Kennisbank WEKA Financieel en krijg direct toegang tot:
Ontvang het rapport ‘Stappenplan Kostencalculatie’ gratis, wanneer u zich inschrijft voor de nieuwsbrief van WEKA Financieel!
Heeft u echt lastige Excel-vragen? Overleg die met de professionele Adviesdesk. Dan hoeft u nooit meer uren te stoeien met lastige formules.